|
|
Het vierde scenario |
| Preview - terug naar het boek |
Voorwoord door Pieter HesselIn 1995 nam ik afscheid van mijn professie als gastheer in de horeca. Ik had voor Nederlandse maatstaven het ultieme gastheerschap bereikt als butler in het Amstelhotel. Ik leerde flamberen, met een wijnglas op mijn hoofd te lopen, dubbele Windsors strikken, lunches en diners organiseren, en geestverruimende middelen voor de elite regelen. Ik was de steun en toeverlaat van de rich and famous, ik wist van etiketten, het verschil tussen oud en nieuw geld en bracht elke ochtend een vers gestreken krantje. Ik werd er op den duur zelf terneergeslagen van steeds weer dezelfde onderlinge concurrentie en het armpje drukken over wie, waar en wanneer het meest had bereikt of verdiend. Ik kreeg een slecht geweten in het bijstaan en verzorgen van deze mensen, de cadeautjes en fooien konden dat niet meer afkopen. Ik stopte met bedienen. Wanneer we niet in balans met onszelf en in gelijkheid met de ander leven door faam, erfrecht of zakken met geld, dan gebeurt er iets van binnen. Wantrouwen en controle nemen toe naarmate je meer bezit te verdedigen hebt. Als je tot de superrijken behoort, kun je echt niemand meer vertrouwen, behalve de butler natuurlijk. Want een integere butler houdt zich aan het beroepsgeheim, net als een advocaat of arts. Wat mij het meeste is bijgebleven van al die beroemde en rijke mensen is dat te veel geld en bezit corrumpeert. Het maakt je ongevoelig, onverschillig, onzeker en ongelukkig. Want hoe doorzie je of iemand oprecht een relatie met je aangaat of dat het alleen om jouw bezit en/of roem gaat? Het ligt voor de hand dat je je gaat afzonderen van andere mensen, je zet jezelf gevangen in een gouden kooi. Je bent dan geen wezenlijk deel meer van de samenleving, je zweeft erboven en stuurt aan van boven om jouw bezit in stand te houden. Mensen en levensomstandigheden vervagen tot productiemiddelen. Toen ik Jac voor het eerst ontmoette, tijdens een introductiebijeenkomst voor de leergang Samenlevenskunst, vond ik hem een vreemde snuiter. Ik kon hem niet plaatsen en mijn brein schoot meteen in een modus van aannames. Ik nam aan dat hij hoogopgeleid en van goede komaf was, en dat hij top-down dacht. Dat veranderde vrij snel toen hij uiteenzette waarom grond, kapitaal en arbeid niet langer verhandelbaar zouden moeten zijn. Dat het verhandelen van grond, kapitaal en arbeid corruptie, armoede en uitbuiting in de hand werkt. Onze huidige economie is hierop gebaseerd en staat een mens- en Aardewaardige samenleving in de weg. Het houdt ons ‘klein’ en het weerhoudt ons ervan om tot een gezamenlijke intentie te komen over hoe wij met elkaar willen leven. Ik en jij, de armen en de rijken, we maken allemaal deel uit van een geheel. We zitten in hetzelfde schuitje en moeten er samen uitkomen. ‘Wij zijn allemaal deel van de gehele sociale werkelijkheid. Het is nooit af. Het gaat altijd maar door’, schrijft Jac in dit boek. In 2023 rondde ik de tweejarige leergang Samenlevenskunst af. In die twee jaar heeft Jac mij op reis genomen door mijzelf. We bespraken Kant en Goethe en maakten kennis met de fenomenologie. We verbeelden ons gebruiksvoorwerpen en speelden met de eigenschappen om tot het zuivere begrip, de essentie, van het voorwerp te komen. Hoe handel ik van binnenuit? Wat is mijn wezen? Dit alles vond plaats in een periode van wereldwijde vrijheidsbeperkingen door lockdowns. Voor ons als studenten en docenten een praktische casus: hoe ga je als gemeenschap met dergelijke beperkingen om? Heb je je voldoende ingeleefd in elkaars perspectieven? En hoe kom je tot een gezamenlijke intentie over de omgang met het fenomeen? Vrij, gelijk en samen zijn we tot afspraken gekomen. Tijdens het eerste jaar van deze leergang schreef ik over onze neiging om materiële zekerheden te omarmen: ‘De gewoonte vertelt ons dat we verder moeten, dat we moeten groeien. Na ons de zondvloed! We kopen huizen met hypotheken en technologie op afbetaling, en rentenieren ten koste van lage lonen. We zijn nu eenmaal gehecht aan ons bezit en privileges. Het is nu niet de tijd om te delen. Het is van mij en de mijnen. Ben je vrij als je schulden bezit? Ben je vrij in een systeem zonder menselijke maat? Ben je gelijk als je iemand stiekem volgt die roept wat jij denkt? Ben je samen als je denkt dat de anderen boosaardig zijn? Is vertrouwen en liefde sterker? Is onze behoefte aan welzijn, zingeving en verbinding wat ons allemaal gelijk maakt? Gaan we elkaar volgen of voor elkaar zorgen?’ Echte zekerheid zul je uiteindelijk alleen in jezelf vinden. Streven en werken naar zelfgestelde doelen geeft vervulling, dus blijf bij jezelf. Wees je bewust dat we liefdevol scheppende wezens zijn. Dat bewustzijn wens ik de mensen die ik ooit bediende. Ik gun ze dit boek en, wie weet, een inschrijvingen voor de leergang Samenlevenskunst. Het is mijn innige wens dat dit boek voor jou en toekomstige generaties een basis vormt om anders met grond, arbeid en kapitaal om te gaan. Dat jij en ik samen, in gemeenschappen, vanuit een gezamenlijke intentie, leren beslissen over onze leefomgeving en leefomstandigheden. Ik nodig je uit om de Samenlevenskunstenaar in jezelf te (h)erkennen. Pieter Hessel ProloogJac: Volgens Bas van Bavel wordt het fundament van elke samenleving gevormd door de organisatie van de uitwisseling en toewijzing van de productiemiddelen grond, arbeid en kapitaal. Ik ben benieuwd hoe jullie die organiseren, om te beginnen de arbeid? Faizah: Wij zijn horizontaal georganiseerd. De uitwisseling en toewijzing van arbeid vindt bij ons van binnenuit plaats, in goed onderling overleg. Er is hier geen gezag of autoriteit die dat van buitenaf regelt. Niemand hier verkoopt zichzelf op een arbeidsmarkt. Arbeid en inkomen hebben we losgekoppeld. Tegelijkertijd zijn wij ons in onze samenleving bewust van het geheel waar we deel van uitmaken en voelen we ons ook verantwoordelijk voor dat geheel. Gezamenlijk produceren we één maatschappelijke koek die we eerlijk onder elkaar verdelen door middel van een vorm van een basisinkomen, waar ik je later graag meer over vertel. Iedereen levert een bijdrage aan de maatschappelijke koek en maakt daarom onderdeel uit van een productie- of distributieproces van een bepaald product. Of hij creëert iets anders dan economische waarde, omdat hij te jong of te oud is, of ziek. Voor zover we niet ondernemend in ons werk staan, werken we niet langer dan twintig uur per week, zodat we daarnaast andere dingen kunnen doen. Omdat iedereen zich bewust is van het geheel waar hij deel van uitmaakt en niemand afhankelijk is van zijn werk voor een inkomen, migreren arbeiders van het ene productieproces naar het andere, als dat nodig is. Bijvoorbeeld als van een bepaald product te veel of te weinig wordt geproduceerd. J. Maar als het verwerven van geld niet het motief is om te werken, wat is dan wel het motief? F. In onze samenleving werken we vanuit liefde voor de dingen die we doen en vanuit liefde voor onze samenleving als geheel. J. Hoe organiseren jullie de uitwisseling en toewijzing van kapitaal? F. Wij begrijpen kapitaal als een gezamenlijk goed, dat gezamenlijk wordt gecreëerd en dat door mensen wordt beheerd die daarvoor een mandaat van de gemeenschap krijgen, volgens gezamenlijk afgesproken regels en procedures. Geld ontstaat als iemand met een innovatief idee naar een orgaan gaat dat kapitaal beheert en een krediet van de gemeenschap krijgt. Met dat krediet wordt het idee omgezet in draaiende productiemiddelen: een machine, een voertuig, communicatieapparatuur of iets anders. Al het geld dat in onze samenleving rouleert wordt gedekt door actieve productiemiddelen en gebruikt om economische waarden uit te wisselen, niet meer en niet minder. Hoe dat precies werkt, leg ik je later uit. Als na kortere of langere tijd die machine, dat voertuig of die communicatieapparatuur uit de productieketen wordt gehaald, wordt de hoeveelheid krediet die ooit voor dat productiemiddel gegeven is uit de roulatie gehaald. Op die manier is er nooit te veel geld in omloop en weet iedereen dat tegenover elke geldeenheid een actief productiemiddel staat dat economische waarde creëert. J. Maar ik neem aan dat fabrieken, bedrijven en organisaties ook worden uitgewisseld en toegewezen? Bij ons gebeurt dat op een markt, je kunt een bedrijf kopen en verkopen. Mensen betalen grote sommen geld om een onderneming over te nemen. De koers van het aandeel van een bedrijf bepaalt de waarde van dat bedrijf. Hoe gaat dat bij jullie? F. Zoals ik al zei, wij begrijpen kapitaal als een gezamenlijk iets. Alle productiemiddelen zijn van ons allemaal en tegelijkertijd zijn fabrieken, bedrijven en andere organisaties van zichzelf en kunnen ook niet worden gekocht en verkocht. Iedereen is als het ware aandeelhouder van alle bedrijvigheid. Het is aan de mensen om in goed onderling overleg het kapitaal te beheren en om een bedrijf aan een specifieke ondernemer toe te wijzen als dat nodig is. Vaak werkt er al iemand in de organisatie die de onderneming kan overnemen. Sowieso wordt een onderneming vaak gedragen door een kring ondernemende mensen, we zijn hier nogal horizontaal georganiseerd. Als een van de ondernemers stopt of iets anders wil doen, dan neemt iemand anders in goed overleg die rol over, intern of extern. Niemand in onze samenleving verdient aan bezit. J. Tot slot, hoe vindt de uitwisseling en toewijzing van grond en grondstoffen plaats? Wie bepaalt wie wat mag doen op welke stukken grond? Wie mag welke grondstoffen delven? F. Ook grond en grondstoffen zijn van ons allemaal, van niemand of van een of enkele mensen in het bijzonder. Iedereen voelt hier de verantwoordelijkheid voor de landschappen als geheel waarin wij leven, wonen en werken. Het wordt beheerd in organen die tsja… grond en grondstoffen beheren. Ook weer volgens breed gedragen regels en afspraken, die overigens nog steeds worden verbeterd. Boeren krijgen stukken landbouwgrond toegewezen, te delven grondstoffen worden aan capabele delvers toegewezen, bepaalde gronden zijn bestemd voor bebouwing van huizen of kantoren, weer andere gronden dienen voor recreatie, natuur of juist industrie. Stopt een boer, dan zoekt het orgaan dat namens de gemeenschap landbouwgrond beheert een nieuwe boer om het land aan toe te wijzen. Tenzij in overleg met de andere organen voor grondbeheer dat specifieke stuk landbouwgrond een andere bestemming krijgt. J. Kortom, de uitwisseling en de toewijzing van de productiemiddelen grond, arbeid en kapitaal vindt in goed onderling overleg plaats, van binnenuit, buiten de staat en de markt om? De aanleiding en vragen, vragen, vragen…Mijn verhaal begint in het voorjaar van 1981, toen ik zestien jaar oud was en met mijn ouders door India reisde. Daar werd ik als westerse jongeman geconfronteerd met schrijnende armoede. ‘Geld?’, gebaarde een klein meisje met een vies gezichtje en een kapot jurkje. Mijn ouders, de zakenpartners van mijn vader, hun aanhang en ik verlieten net, volgegeten en -gedronken, een chic restaurant in Mumbai. Ik schudde mijn hoofd, want ik had geen geld op zak, mijn vader droeg de portemonnee. Het meisje viel op haar knieën, boog, kuste m’n voeten en keek weer naar me op met angstige ogen, haar ene hand over haar buik wrijvend, haar andere om geld vragend omhoog gehouden naar mij. Weer schudde ik mijn hoofd. Op dat moment stopte een van de twee taxi’s waarin het hele gezelschap intussen had plaatsgenomen vlak achter me, deur open. Ik werd naar binnen getrokken, deur dicht, en de taxi reed door. Door de achterruit zag ik nog hoe het meisje door een even vies, maar iets ouder jongetje, ook in kapotte en vieze kleren, met de vlakke hand in haar gezicht werd geslagen, links, rechts, links, rechts. Nu, ruim veertig jaar later, lukt het me om met zachte ogen en een warm hart terug te blikken op deze gebeurtenis. Want wat was nou eigenlijk het probleem? Was het de schrijnende tegenstelling tussen mij, die witte, westerse, welopgevoede, rijke jongen, en zij, dat donkere, oosterse, verwaarloosde, arme meisje? Was het deze confrontatie tussen rijk en arm, wit en zwart, westers en oosters, te veel en te weinig eten? Of waren het mijn schaamte- en schuldgevoelens? Mijn schrik? Mijn gevoelens van ongemak en onbehagen ook? Of raakte deze gebeurtenis mij, omdat mijn zusje na een lang en pijnlijk ziekbed stierf toen ze vijf was? Ik was toen zeven en probeerde uit alle macht haar dood te voorkomen. Terwijl die jongen dat meisje niet beschermde, maar met de vlakke hand sloeg. Omdat ze, wat ze ook deed, mij smekend aankijken, knielen en mijn voeten kussen, geen geld van mij had gekregen? Zij wist niet dat ik geen geld op zak had. Of sloeg hij haar nog ergens anders om? Omdat ze er samen op uitgestuurd waren om voor geld te bedelen en nu onverrichterzake terug moesten keren? Was het probleem de confrontatie met tegenstellingen, haar gebrek versus mijn overvloed, het idee dat zij donker en arm was versus ik wit en rijk, haar kansarme versus mijn kansrijke toekomst? Of zat het probleem nog dieper? Dat moest haast wel. Want anders was het vraagstuk (welk vraagstuk precies?) toch allang opgelost? Met alle wetenschappelijke kennis en technische middelen die we tot onze beschikking hebben? Destijds ervaarde ik het zogenoemde ontwikkelingsvraagstuk als het probleem van de kloof tussen rijkdom en armoede. Het westen was ontwikkeld en de rest van de wereld was onderontwikkeld. Wat een arrogante visie was dat eigenlijk. Het zogenoemde ontwikkelingsvraagstuk maakte dat ik tropische cultuurtechniek ging studeren aan de Landbouwuniversiteit in Wageningen. Ik wilde het vraagstuk begrijpen en mijn bijdrage leveren aan de oplossing ervan. Ik wilde ontwikkelingswerker worden. En misschien wilde ik ook wel van mijn schaamte- en schuldgevoelens af. In de loop van mijn studiejaren blikte ik af en toe terug op die gebeurtenis, want iets in me (een gevoel, iets nog dieper dan een gevoel, het zat ergens in mijn buik) zei me dat ik het eigenlijke vraagstuk nog steeds niet te pakken had. Het eigenlijke probleem is namelijk niet het zogenoemde ontwikkelingsvraagstuk, tenzij je het begrip ‘ontwikkeling’ op een diepere manier begrijpt. Daar kwam ik pas in de loop van mijn studie achter. Wat als zij mij niet om geld, maar om hulp, een omhelzing of nog iets anders had gevraagd? Wat als alle kinderen wereldwijd in liefde en vertrouwen mogen opgroeien? Als alle volwassenen wereldwijd de gezamenlijk geproduceerde koek gewoon eerlijk onder elkaar verdelen, ongeacht oorsprong, levensovertuiging, sekse, geaardheid of huidskleur? Wat als ik met haar in gesprek was gegaan, zo goed en zo kwaad als dat ging tussen een Indiaas meisje en een Nederlandse jongeman? Het eigenlijke vraagstuk, zie ik nu, begrijp ik nu, weet ik nu, is niet het zogenoemde ontwikkelingsvraagstuk, maar het gebrek aan inzicht in wat het betekent om mens te zijn op deze ene hele Aarde. En hoe ik op grond van een zuiver, waar, liefdevol begrip van mezelf als mens in de werkelijkheid menswaardig kan samenleven met alle andere mensen op deze ene gezamenlijke Aarde. Zoals ik het nu zie, verkeert de mens in verwarring. Nog steeds. Over zichzelf. Over wie hij is. Over zijn oorsprong en bestemming. Over zijn relatie tot de werkelijkheid. Over het leven. Over de zin en de waarde van het leven. Over zijn omgang met zichzelf, de ander en de Aarde. |
Klik hier om de preview als pdf te downloaden |
Bestel het boek bij Amy en Eva | Managementboek.nl | bol.com | Libris.nl | Bruna.nl | Zoek een boek | Athenaeum/Scheltema | Donner |
| Terug naar het boek | Meer informatie over de auteur |
|